Beeldverhaal 02 – Actieve lumbosacrale overgang
MRI- en nucleaire beeldvorming met focus op activiteit ter hoogte van de lumbosacrale overgang.
MRI- en nucleaire beeldvorming met focus op activiteit ter hoogte van de lumbosacrale overgang.
MRI- en nucleaire beeldvorming van één patiënt tonen een actieve lumbosacrale overgang met verhoogde botactiviteit.
In dit beeldverhaal worden MRI- en nucleaire beelden van één patiënt gebruikt om te laten zien hoe een lumbosacrale overgangswervel met tekenen van activiteit zichtbaar kan zijn op verschillende beeldvormende modaliteiten.
Door verschillende technieken te combineren kan zowel de anatomie van de afwijking als de biologische activiteit van het bot worden beoordeeld.
Deze MRI-afbeelding behoort tot dezelfde patiënt als de nucleaire scan in dit beeldverhaal.
Bij markering ① is de linker lumbosacrale overgang zichtbaar. Hier is te zien dat de transversale uitloper van de onderste lendenwervel (L5) verbreed is en contact maakt met het sacrum. Dit wijst op een lumbosacrale overgangswervel met een pseudo-articulatie.
Bij markering ② is een verhoogd signaal in het bot zichtbaar. Op een STIR-sequentie betekent dit dat er sprake is van beenmergoedeem of reactieve botverandering.
Beenmergoedeem ontstaat vaak wanneer een gewricht of overgangsgebied mechanisch belast of geïrriteerd raakt. In dit geval suggereert het verhoogde signaal dat de overgang tussen de wervel en het sacrum actief belast wordt.
De combinatie van:
een afwijkende anatomische relatie (①)
en reactieve botverandering (②)
maakt duidelijk dat deze overgang mogelijk functioneel relevant is en niet alleen een toevallige anatomische variant.
MRI is bijzonder geschikt om naast de anatomie ook tekenen van actieve irritatie of ontstekingsreactie in het bot te detecteren.
Deze nucleaire scan behoort tot dezelfde patiënt als de MRI-afbeelding hierboven.
Bij markering ① is verhoogde traceropname zichtbaar ter hoogte van de lumbosacrale overgang. Dit betekent dat in dit gebied verhoogde botmetabolische activiteit plaatsvindt.
Verhoogde opname op een nucleaire scan wijst op verhoogde botombouw of mechanische belasting van het bot.
Deze bevinding correspondeert met de anatomische afwijking die op de MRI zichtbaar was.
Bij markeringen ② en ③ is eveneens verhoogde activiteit zichtbaar in de heupregio’s. Dit kan passen bij secundaire of compensatoire belasting, doordat de biomechanica van de onderrug en het bekken veranderd is.
De nucleaire scan maakt het mogelijk om te beoordelen welke structuren daadwerkelijk biologisch actief zijn, en helpt daarmee onderscheid te maken tussen:
een anatomische variant zonder activiteit
en een functioneel actieve overgang.
De bovenstaande beelden (MRI en nucleaire beeldvorming) tonen verschillende modaliteiten van dezelfde lumbosacrale overgang bij één patiënt.
Er is sprake van een aangeboren lumbosacrale overgangswervel, waarbij de onderste mobiele lendenwervel vergrote dwarsuitlopers heeft die een pseudo-articulatie vormen met het sacrum.
Op de MRI is niet alleen de afwijkende anatomische relatie zichtbaar, maar ook verhoogd signaal passend bij beenmergoedeem ter hoogte van deze overgang.
De nucleaire beeldvorming toont op dezelfde locatie verhoogde metabole activiteit.
De combinatie van:
structurele afwijking
reactieve botverandering
en verhoogde botactiviteit
suggereert dat deze overgang functioneel belast en biologisch actief is.
Op basis van de beeldvorming passen de bevindingen het best bij Castellvi type IIa.
Dit type wordt gekenmerkt door:
een vergrote dwarsuitloper van L5
die unilateraal een pseudo-articulatie vormt met het sacrum.
Binnen de Jenkins-classificatie valt deze afwijking in een categorie waarbij de overgangswervel klinisch relevant kan zijn, met name wanneer er sprake is van asymmetrische belasting en actieve botreactie.
Het herkennen van een lumbosacrale overgangswervel met tekenen van activiteit is belangrijk om:
onderscheid te maken tussen een toevallige anatomische variant en een mogelijk symptomatische overgang
beeldvorming correct te interpreteren in relatie tot klachten
gerichte diagnostiek of behandeling te overwegen.
Niet elke overgangswervel veroorzaakt klachten. De combinatie van anatomie, activiteit en klinische symptomen bepaalt uiteindelijk de klinische betekenis.